Cursus belichting

Van oudsher heeft in de fotografie het begrip ‘belichting’ steeds dezelfde belangrijke betekenis: het reguleren van de hoeveelheid licht die wordt toegelaten tot het lichtgevoelige materiaal (film of sensor). In de communicatie wordt het begrip ‘belichting’ vaak verward met ‘verlichting’: de manier waarop het onderwerp wordt uitgelicht. Zo spreken fabrikanten van flitsinstallaties of andere studioverlichting nog regelmatig over de ‘belichting' van een model of een product, terwijl men ‘verlichting’ bedoelt. Belichting komt tot stand door het kiezen van een combinatie van sluitertijd en diafragma. In veel handleidingen wordt daar de afkorting EV (Exposure Value) voor gebruikt. Wanneer er slechts één ideale combinatie zou zijn, lijkt dit een technisch eenvoudig gegeven, maar zo is het niet. We zullen zien dat er wel sprake is van een gewenste hoeveelheid licht, maar zeker ook van een aan te passen hoeveelheid. De fotograaf beslist, en zal in veel gevallen het resultaat van een meting moeten bijstellen om het beoogde effect te krijgen. We maken daarom in deze cursus belichting een onderscheid tussen een puur technische benadering van het onderwerp en een creatieve.

Weergave van een directe lichtmeting - fotografie

Afbeelding 1 - Het verschil tussen directe en indirecte lichtmeting

De technisch juiste belichting

Wanneer je volgens de uitslag van een lichtmeter te werk gaat, zou je denken dat de belichting van je foto in orde is. Dat is echter niet altijd het geval. Dit hangt allereerst af van de methode van lichtmeting. Er zijn namelijk twee soorten metingen:

- Directe lichtmeting
Het woord zegt precies wat hier gebeurt: het licht wordt direct gemeten. Je richt de meter niet op het onderwerp maar naar de lichtbron toe (1). Deze losse lichtmeter bevat een lichtgevoelig siliciummateriaal, meestal aangebracht achter een wit diffuus bolletje, met daaraan gekoppeld een elektronisch circuit. De uitslag geeft dan een combinatie van diafragma en sluitertijd aan die afhankelijk is van de ingestelde ISO-waarde. Deze uitslag neem je over op de camera en voilà! De foto is dan altijd gelukt, ongeacht of je onderwerp extreem licht of juist erg donker is! Zowel donkere als lichte partijen zijn in orde, mits de toonschaal binnen de contrastomvang ligt die het materiaal kan verwerken. Helaas is het onhandig om altijd de meting los van de camera te verrichten. Zo’n vijftig jaar terug begon men daarom de lichtmeter in de camera in te bouwen, waardoor een ander meetsysteem het licht zag.

- Indirecte lichtmeting
Hierbij wordt het licht gemeten dat door het objectief de camera binnenkomt. Bij de gangbare reflexcamera’s wordt dat licht naar boven gestuurd via de spiegel. Bovenin wordt het licht gemeten, en de lichtstralen worden verder door het dakkantprisma naar het oculair van de zoeker gebracht. Hierbij meet je dus niet de lichtbron - of liever gezegd de hoeveelheid licht die deze op het onderwerp laat vallen -, maar de hoeveelheid licht die door het onderwerp wordt teruggekaatst. Dat is natuurlijk ook een soort lichtbron... maar de sterkte van het teruggekaatste licht is nu mede afhankelijk van de helderheid van je onderwerp. Omdat de automaat in je camera niet weet of het onderwerp van zichzelf licht of donker is, zal deze een combinatie van sluitertijd en diafragma kiezen die altijd overeenkomt met dezelfde hoeveelheid licht bij een bepaalde ISO-waarde. Het resultaat is een gemiddelde belichting afgestemd op gemiddeld grijs (18% reflectie van de Kodak-grijskaart). Hierin schuilt nu een groot risico. Het verschil met directe lichtmeting kan flink oplopen, en wel in het nadeel van de indirecte methode!

Schema van fotograferen van wit, grijs en zwart vlak - cursus belichting

Afbeelding 2A - Bij indirecte lichtmeting worden wit, grijs en zwart zonder belichtingscorrectie alle drie middengrijs

Belichting is gemiddeld grijs

Wat is er namelijk aan de hand? Als je witte, grijze en zwarte onderwerpen afzonderlijk fotografeert (2A), zie je dat het resultaat in alle gevallen gemiddeld grijs is! Stel dat we het diafragma op een vaste waarde hebben gezet. Dan zal bij het zwarte onderwerp de belichtingsautomaat in de camera de sluiter net zolang open laten staan totdat de sensor de technisch juiste dosis licht heeft ontvangen. Bij het witte onderwerp zal de sluiter dan sneller dichtgaan, omdat die dosis vlugger is bereikt. Kortom: de sluitertijd-diafragmacombinatie is in de drie voorbeelden verschillend, om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid licht naar de sensor telkens gelijk is. Maar daardoor is het resultaat bij alle drie de foto’s middengrijs. Het histogram laat dat ook zien - met een streep in het midden. Maak je vervolgens één opname van het witte, grijze en zwarte karton samen, dan is het resultaat in orde. Het histogram zal dit laten zien met drie afzonderlijke kolommen bij de overeenkomstige helderheden 0, 128 en 255 (2B).

Schema van het fotograferen van zwart, wit en grijsvlak in een opname - cursus belichting

Afbeelding 2B - Alleen bij een ‘gemiddeld’ onderwerp worden de helderheden correct weergegeven

Conclusie lichtmeting

Een directe lichtmeting geeft altijd een goed resultaat; een indirecte lichtmeting alleen wanneer het onderwerp verschillende helderheden bevat - die ver uit elkaar kunnen liggen. Doordat vrijwel iedere fotohobbyist met indirecte lichtmeting werkt, komen foute belichtingen veelvuldig voor. Hoe kun je nu de belichting controleren en aanpassen zodat de foto wordt zoals jíj dat wilt? Kortom: hoe krijg je een belichting die je ‘perfect’ kunt noemen?